Nieuws en opiniestukken
Laatste
Hebben we Europa uitgegeleverd aan China? Chat Control 2.0: België opnieuw de brave leerling van Europa Chat Control 2.0: België op het punt van een privacycrisis Crevits en Diependaele ziek tijdens begrotingsbesprekingen
Dertig jaar politiek wanbeleid in het Belgische energiebeleid kostte tientallen miljarden Economie
Foto: W. Vander Cruyssen

Dertig jaar politiek wanbeleid in het Belgische energiebeleid kostte tientallen miljarden

Van Electrabels verkoop aan Engie tot de kernuitstap en terug: dertig jaar inconsistent energiebeleid heeft ons tientallen miljarden gekost. De rekening is nog niet betaald.

Deel dit artikel: Facebook X E-mail

Wie het Belgische energiebeleid van de voorbije dertig jaar overschouwt, kan niet spreken van een langetermijnstrategie. Wat we zien, is een opeenvolging van tegenstrijdige politieke beslissingen waarbij regeringen eerst onze strategische controle uit handen gaven, vervolgens beslisten kernenergie af te bouwen, daarna miljarden uittrokken om de gevolgen daarvan op te vangen en uiteindelijk opnieuw kiezen voor kernenergie.

De eindfactuur van dit politiek wanbeleid loopt in de tientallen miljarden euro’s.

Electrabel verkocht aan Franse gigant: een strategische blunder

Het verhaal begint bij Electrabel. Electrabel was een beursgenoteerde onderneming waarvan de Belgische staat een belangrijke aandeelhouder was. Onder Verhofstadt gebeurde in 2005 iets bijzonder ingrijpend. Suez nam voor 11,2 miljard euro de Belgische aandelen van Electrabel over en verwierf daarmee de volledige controle. België liet toe dat zijn dominante elektriciteitsproducent, en vrijwel de volledige Belgische nucleaire productie, volledig onder Franse controle kwam. Suez werd later GDF Suez en uiteindelijk Engie. De strategisch politieke fout daarvan zien we vandaag in zijn volle omvang.

De kernuitstap: een beslissing zonder plan

Twee jaar vóór die volledige overname had de paars-groene regering-Verhofstadt al een andere historische beslissing genomen. In 2003 werd wettelijk bepaald dat de Belgische kernreactoren na veertig jaar zouden sluiten en dat geen nieuwe kerncentrales meer gebouwd mochten worden.

België beschikte op dat ogenblik over zeven reactoren — Doel 1, 2, 3 en 4 en Tihange 1, 2 en 3 — met samen ongeveer 5,9 à 6 gigawatt vermogen. Decennialang leverden die centrales ongeveer de helft, en in sommige jaren zelfs meer dan de helft, van onze elektriciteit.

België beschikte dus zelf over een enorm industrieel kapitaal aan bestaande, koolstofarme productiecapaciteit. In plaats van eerst een nieuwe langetermijnarchitectuur voor onze elektriciteitsvoorziening uit te bouwen en vervolgens oude capaciteit gecontroleerd te vervangen, legde de politiek eerst de sluitingsdatum vast en begon ze pas daarna uit te zoeken waarmee die productie vervangen moest worden. Dat was een fundamentele politieke fout.

Uitstelbeleid en onverwachte realiteit

Vervolgens begon het Belgische uitstelbeleid. Tihange 1 moest sluiten, maar kreeg tien jaar extra. Doel 1 en Doel 2 moesten sluiten, maar kregen eveneens levensduurverlenging. Doel 3 werd uiteindelijk in 2022 stilgelegd en Tihange 2 in 2023. De jongste reactoren Doel 4 en Tihange 3 zouden in 2025 volgen.

Ondertussen veranderde de internationale werkelijkheid drastisch. Rusland viel Oekraïne binnen, de Europese gasprijzen explodeerden en plots ontdekte Europa opnieuw dat energiebevoorrading niet alleen een klimaatvraagstuk maar ook een kwestie van nationale veiligheid en economische onafhankelijkheid is.

België moest plots aan Engie vragen om precies die reactoren langer open te houden waarvan de overheid twintig jaar lang had aangekondigd dat ze moesten verdwijnen. Daarmee hadden onze leiders Engie een uitzonderlijk sterke onderhandelingspositie gegeven. Een onderneming die twintig jaar te horen krijgt dat haar kerncentrales moeten sluiten, kan moeilijk worden verweten dat ze investeringen, personeel en organisatie daarop afstemt. Wanneer dezelfde overheid vlak voor de sluiting komt vragen of twee centrales toch nog tien jaar kunnen doorgaan, liggen de beste kaarten bij Engie.

Voor de verlenging van Doel 4 en Tihange 3 tot 2035 werd uiteindelijk een constructie opgezet waarbij de Belgische staat en Electrabel elk 50% van BE-NUC bezitten. Voor de noodzakelijke investeringen en financiering wordt een orde van grootte van ongeveer 1,6 à 2 miljard euro genoemd. Het Belgische aandeel in die financiering bedraagt dus ruwweg 800 miljoen tot 1 miljard euro. Daarboven boekt het Franse Engie al jaarlijks 1 miljard winst op het Belgisch energieverbruik.

Nucleair afval: een miljardenbom

Maar een nog grotere financiële operatie zit bij het nucleaire afval. In de overeenkomst met Engie werd ongeveer 15 miljard euro vastgelegd voor de overdracht van langetermijnverplichtingen inzake gebruikte splijtstof en radioactief afval aan de Belgische staat. Engie draagt dit bedrag over om toekomstige verplichtingen af te kopen. Zodra het afgesproken financiële plafond is bereikt, ligt het risico van toekomstige kostenoverschrijdingen bij de overheid. Niemand kan vandaag garanderen dat de uiteindelijke kostprijs binnen tientallen jaren overeenkomt met de ramingen waarop die 15 miljard gebaseerd is. Een overschrijding met bijvoorbeeld 10% zou al 1,5 miljard euro betekenen; 20% zou 3 miljard euro zijn. Dat illustreert opnieuw hoe groot het overgenomen financiële risico is dat door de politiek werd beslist.

Vervangingscapaciteit: een dure noodzaak

Tegelijk moest België vervangingscapaciteit organiseren voor het nucleaire vermogen dat volgens de kernuitstap zou verdwijnen. Daarvoor kwam onder meer het Capacity Remuneration Mechanism, het CRM, waarbij producenten betaald worden om voldoende capaciteit beschikbaar te houden. Daaronder vallen onder andere nieuwe gasgestookte centrales.

Alleen voor 2025 raamde de CREG de financieringskost van het CRM op ongeveer 41,8 miljoen euro. Over de volledige looptijd spreken we over honderden miljoenen euro’s aan capaciteitsvergoedingen.

Economische gevolgen: import en verlies

Daar komen nog de indirecte economische gevolgen bij. In 2025 produceerde België nog ongeveer 59,7 TWh elektriciteit, het laagste productieniveau sinds minstens 2015. België werd dat jaar netto-importeur van ongeveer 14 TWh elektriciteit. Een aanzienlijk deel daarvan kwam uit Frankrijk en Nederland.

De ironie is moeilijk te overtreffen: België besloot zijn eigen kerncentrales te sluiten om vervolgens elektriciteit in te voeren uit Frankrijk, een land waarvan de elektriciteitsproductie juist zeer sterk op kernenergie steunt. Elektriciteitsleveranciers en consumenten betalen voor ingevoerde elektriciteit. Economisch betekent een structurele netto-import dat miljarden euro’s aan elektriciteitsstromen niet in België worden geproduceerd. Tegen een illustratieve gemiddelde groothandelswaarde van bijvoorbeeld €70 per MWh vertegenwoordigt 14 TWh ongeveer €980 miljoen elektriciteitswaarde per jaar.

Electrabel als Franse cashcow

En ondertussen bleef Electrabel een uiterst waardevolle onderneming binnen de Franse Engie-groep. Electrabel rapporteerde over 2024 een resultaat van ongeveer 7,85 miljard euro en over 2025 ongeveer 5 miljard euro. In 2025 werd bovendien ongeveer 6,2 miljard euro dividend vanuit Electrabel aan moedermaatschappij Engie uitgekeerd. Een onderneming waarvan België in 2005 zonder strategische verankering toeliet dat ze volledig onder Franse controle kwam, kon twintig jaar later miljarden naar haar Franse moeder doorsluizen.

De cirkel is rond: terug naar af

Nadat België in 2003 besloot kernenergie af te bouwen, in 2005 toeliet dat Electrabel volledig onder Franse controle kwam, vijf reactoren uiteindelijk liet sluiten en vervolgens bijna een miljard euro staatsfinanciering nodig had om de laatste twee reactoren langer operationeel te houden, onderhandelt de Belgische regering sinds 2026 over de overname van de Belgische nucleaire activiteiten van Engie. Het gaat daarbij niet alleen over Doel 4 en Tihange 3, maar over de nucleaire activiteiten rond het historische park van zeven reactoren, personeel, infrastructuur, activa en verplichtingen.

En volgens recente berichtgeving krijgt Engie bovendien tegemoetkomingen inzake het risico van de toekomstige ontmantelingskosten. Als de uiteindelijke ontmanteling duurder uitvalt dan geraamd, zal opnieuw een groter deel van het risico bij de Belgische overheid terechtkomen.

Dat maakt de cirkel compleet. We lieten de strategische controle vertrekken. We besloten de centrales te sluiten. We organiseerden gesubsidieerde vervangingscapaciteit. We sloten vijf reactoren. We ontdekten vervolgens dat we kernenergie toch nodig hebben. We betalen mee om twee centrales opnieuw tien jaar langer open te houden. We nemen langetermijnrisico’s voor nucleair afval over. En uiteindelijk proberen we de nucleaire activiteiten opnieuw in Belgische handen te krijgen.

In 2025 schafte het parlement bovendien de wettelijke kernuitstap af. Tweeëntwintig jaar nadat België wettelijk besliste uit kernenergie te stappen, besliste België dus opnieuw dat kernenergie wél een toekomst heeft.

De rekening: tientallen miljarden

Wat heeft dit alles de belastingbetaler gekost? Daar moeten we onderscheid maken tussen werkelijke begrotingskosten, economische kosten en financiële risico’s. Men schat de realistische jaarlijkse kost voor onze economie op 1 miljard euro. Voor de Belgische deelname aan de verlenging van Doel 4 en Tihange 3 spreken we over ongeveer €0,8 à €1 miljard. Voor CRM en andere noodzakelijke capaciteitsvergoedingen gaat het over honderden miljoenen euro’s, waarvan slechts een gedeelte zuiver aan de kernuitstap kan worden toegeschreven. De toekomstige overname van Engies nucleaire activiteiten heeft nog geen definitieve publiek bekende eindprijs. Daarbovenop komt het risico op overschrijdingen van de nucleaire afval- en ontmantelingskosten.

Mijn inschatting is daarom dat de identificeerbare en redelijk aan de politieke koerswisselingen toerekenbare publieke en economische kosten en financiële blootstelling zich vandaag rond 30 miljard euro situeert. Indien België daadwerkelijk aanzienlijke bijkomende ontmantelings- of afvalkosten moet dragen, kan de uiteindelijke publieke rekening nog met vele miljarden toenemen.

België verloor daarbij ook tijd, nucleaire expertise, strategische autonomie en voorspelbaarheid voor investeerders. Energiebeleid vereist beslissingen met een horizon van veertig, zestig of tachtig jaar. Wij hebben het behandeld alsof iedere nieuwe regering het vorige regeerakkoord gewoon kon omkeren. Dertig jaar lang hebben politici eerst beslist wat moest verdwijnen en pas daarna nagedacht over wat ervoor in de plaats moest komen. Vervolgens moesten andere regeringen betalen om eerdere beslissingen gedeeltelijk terug te draaien.

Het meest pijnlijke is daarom niet eens het bedrag. Het is dat een belangrijk gedeelte van deze rekening vermijdbaar was geweest met één consistente, technologieneutrale energiepolitiek op lange termijn.

De belastingbetaler betaalt uiteindelijk niet alleen voor kerncentrales. Hij betaalt vooral voor dertig jaar politiek wanbeleid.

Bronnen

  • CREG – monitoring Belgische elektriciteitsmarkt en CRM;
  • Europese Commissie – staatssteun en levensduurverlenging Doel 4/Tihange 3;
  • ENGIE/Electrabel – overeenkomst Belgische Staat, nucleaire activiteiten en jaarrekeningen;
  • Synatom – nucleaire provisies en ontmanteling;
  • Belgische federale regering – nucleaire akkoorden en wijziging kernuitstap;
  • Reuters – Engie/Belgische nucleaire onderhandelingen en Europese goedkeuring verlenging;
  • Le Monde – Electrabel-dividend en Belgische nucleaire koerswijziging.

Reacties 0

Reageren kan als abonnee. Log in met uw e-mailcode of word abonnee.

Nog geen reacties. Wees de eerste om te reageren.