Binnenland
Genderquota brachten geen beter beleid: tijd voor een economisch ervaringsquotum
Sinds 1994 voeren we genderquota in, met meer vrouwen in de politiek tot gevolg. Maar onze overheidsfinanciën blijven ontsporen. Waarom niet een quotum voor mensen met minstens tien jaar ervaring in de private sector? Dat zou onze politiek eindelijk zuurstof geven.
België voerde in 1994 wettelijke genderquota in met de zogenaamde wet-Smet-Tobback. Die bepaalde dat maximaal twee derde van de kandidaten op een kieslijst van hetzelfde geslacht mocht zijn. In 2002 ging het land nog een stap verder en werd de pariteit op de kandidatenlijsten verplicht. Het resultaat? Veel meer vrouwen in onze parlementen en regeringen.
Maar hebben die quota ook het beleid verbeterd? Laten we de cijfers spreken. Rond 1999 bedroegen de Belgische overheidsuitgaven ongeveer 47% van het bbp. België was na jaren van saneringen vrijwel tot een begrotingsevenwicht gekomen. Vandaag bedragen die uitgaven ongeveer 54% van het bbp. We kampen opnieuw met een begrotingstekort van meer dan 5% van het bbp, goed voor meer dan €30 miljard per jaar, en torst België een overheidsschuld van rond 108% van het bbp. Tegelijk blijft onze economische groei bijzonder zwak.
Dat betekent uiteraard niet dat alleen vrouwelijke politici verantwoordelijk zijn voor deze evolutie. Mannen en vrouwen hebben samen geregeerd en talrijke crisissen hebben de Belgische overheidsfinanciën getroffen. Maar het betekent wel dat meer vrouwen niet automatisch beter bestuur oplevert. De quota hebben de samenstelling van de politiek veranderd, maar er is geen enkele reden om te concluderen dat ze het politieke beleid hebben verbeterd.
We kijken naar het verkeerde kenmerk
De achtergrond van een politicus is veel belangrijker dan zijn of haar geslacht. Margaret Thatcher was één van de beste politici die Europa ooit gekend heeft en ze was een vrouw in een mannenwereld. Maar ze was ook een kruideniersdochter die de economische wetmatigheden als geen ander begreep. Iemand die twintig jaar een onderneming heeft geleid, mensen heeft aangeworven, lonen heeft betaald, investeringen heeft gefinancierd en iedere maand zijn rekeningen moest betalen, kijkt onvermijdelijk anders naar een begroting dan iemand die zijn volledige beroepsleven binnen een partij, kabinet, administratie of gesubsidieerde instelling heeft doorgebracht.
Dat is geen verwijt aan ambtenaren of beroepspolitici. Ook daar zitten uitstekende mensen. Maar een parlement waarin 80% van de bevolking niet vertegenwoordigd is, heeft een groot representativiteitsprobleem. De Belgische welvaart wordt voor 80% gedragen door de private economie. Ondernemingen en hun werknemers creëren toegevoegde waarde, betalen lonen, vennootschapsbelasting, personenbelasting, sociale bijdragen en btw en financieren daarmee uiteindelijk onze sociale zekerheid en overheid. En toch is die groep veel te weinig aanwezig in onze politiek.
Een economisch ervaringsquotum als oplossing
Daarom zou ik voorstellen om een economisch ervaringsquotum in te voeren met 50% van de verkiesbare plaatsen ingevuld door mensen die minstens tien jaar in de private sector hebben gewerkt. Tien jaar in de echte private economie, als werknemer, zelfstandige, ondernemer, bedrijfsleider, winkelier, technicus, ingenieur, vrij beroeper, manager of iemand anders die dagelijks ondervindt dat inkomsten en uitgaven uiteindelijk met elkaar in evenwicht moeten zijn.
Want de private sector kent wetmatigheden die de overheid veel te gemakkelijk vergeet. Als je structureel steeds meer uitgeeft dan er binnenkomt, ga je failliet. Een ondernemer kan niet eindeloos nieuwe schulden aangaan om structurele uitgaven te betalen. Hij moet prioriteiten bepalen. Hij moet inefficiënte activiteiten stopzetten. Hij moet investeren waar rendement mogelijk is. Hij moet personeel en middelen efficiënt inzetten. En hij draagt ook verantwoordelijkheid voor verkeerde beslissingen. Precies die mentaliteit ontbreekt vandaag in de politiek.
Politici kennen bovendien een perverse prikkel die een bedrijfsleider niet kent, namelijk de volgende verkiezingen. Iedere moeilijke hervorming wordt afgewogen tegen haar electorale gevolgen. Iedere besparing treft een georganiseerde belangengroep. Iedere afgeschafte subsidie creëert onmiddellijk tegenstanders. Iedere noodzakelijke structurele hervorming kan stemmen kosten. Daardoor ontstaat verlamming.
We weten dat onze overheidsfinanciën ontsporen. We weten dat de vergrijzing miljarden extra zal kosten. We weten dat onze arbeidskosten hoog zijn. We weten dat administratieve lasten investeringen afremmen. We weten dat onze staatsschuld problematisch blijft. En toch weigeren onze politici fundamentele hervormingen.
Diversiteit betekent meer dan geslacht
Daarom hebben we meer mensen nodig met een andere achtergrond. Mensen die vragen: Wat kost dit? Wat levert dit op? Kunnen we hetzelfde resultaat goedkoper bereiken? Waarom bestaat deze administratie nog? Waarom hebben we hiervoor vijf bestuursniveaus nodig? Waarom subsidiëren we dit? Waarom duurt een vergunning drie jaar? Waarom heeft een bepaalde overheidsinstelling zoveel directeurs?
Dat zijn doodgewone vragen in een onderneming. In de politiek worden ze revolutionair gevonden. Maar wanneer de politiek zelf het principe verdedigt dat diversiteit van achtergrond tot betere besluitvorming leidt, dan moeten we consequent zijn. Diversiteit betekent niet alleen man of vrouw. Het betekent ook verschillende professionele achtergronden.
Een parlement vol juristen, politicologen, kabinetsmedewerkers en beroepspolitici kan perfect genderdivers zijn, maar tegelijk maatschappelijk bijzonder eenzijdig. Ik zou daarom veel liever een parlement zien waarin ondernemers naast verpleegkundigen zitten, ingenieurs naast leerkrachten, zelfstandigen naast werknemers en mensen die jarenlang in een fabriek of kmo hebben gewerkt naast academici. Dat is werkelijke diversiteit.
Niemand mag vanwege zijn geslacht worden uitgesloten. Maar geslacht is geen bewijs van competentie, noch een garantie voor goed bestuur. De resultaten van de afgelopen decennia tonen in ieder geval niet aan dat genderpariteit onze begroting gezond heeft gemaakt, onze overheid efficiënter heeft gemaakt of onze economische groei spectaculair heeft verbeterd.
Nieuw bloed voor onze politiek
Als we werkelijk geloven dat de samenstelling van onze parlementen bepalend is voor de kwaliteit van ons bestuur, waarom zorgen we er dan niet voor dat minstens de helft van onze verkozen politici weet hoe de economie in de praktijk functioneert? Mensen die weten dat geld eerst verdiend moet worden voordat het kan worden uitgegeven. Mensen die begrijpen dat efficiëntie geen vies woord is. Mensen die beseffen dat ondernemingen geen onuitputtelijke fiscale geldautomaten zijn. En mensen die beslissingen durven nemen waarvan het resultaat misschien pas over tien jaar zichtbaar wordt, in plaats van voortdurend naar de volgende verkiezingsdatum te kijken.
Onze politiek heeft geen behoefte aan nóg meer beroepspolitiek. Ze heeft behoefte aan nieuw bloed. Nieuw bloed en nieuwe ervaringen kunnen onze vastgeroeste overheid eindelijk in beweging brengen. Nieuw bloed kan onze politiek zuurstof geven en eindelijk opnieuw economische vooruitgang.
Ter verduidelijking: niemand beweert dat deze mensen met ervaring in de private sector topmanagers moeten zijn of bedrijfsleiders met honderden mensen in loondienst. Ook voormalige werknemers kunnen perfect nieuwe zuurstof geven aan ons beleid.
Bronnen
- Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, federale wetgeving politieke besluitvorming en quotawetten 1994–2002;
- OESO, Economic Survey Belgium;
- Eurostat, Belgische overheidsfinanciën;
- Europese Commissie, Economic Forecast for Belgium;
- Nationale Bank van België, overheidsfinanciën en macro-economische indicatoren.
Reacties 0
Reageren kan als abonnee. Log in met uw e-mailcode of word abonnee.
Nog geen reacties. Wees de eerste om te reageren.